Artikel 3.8 Wro

  • Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:
    • a. de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens in de Staatscourant wordt geplaatst en voorts langs elektronische weg geschiedt, en het ontwerp-besluit met de hierbij behorende stukken tevens langs elektronische weg wordt beschikbaar gesteld;
    • b. de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a, gelijktijdig met de daar bedoelde plaatsing langs elektronische weg wordt toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan de betrokken waterschapsbesturen en aan de besturen van bij het plan een belang hebbende gemeenten;
    • c. indien in het ontwerp gronden zijn aangewezen waarvan de bestemming in de naaste toekomst voor verwezenlijking in aanmerking komt, kennisgeving tevens geschiedt aan diegenen die in de basisregistratie kadaster staan vermeld als eigenaar van die gronden of als beperkt gerechtigde op die gronden;
    • d. door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp bij de gemeenteraad naar voren kunnen worden gebracht;
    • e. de gemeenteraad binnen twaalf weken na de termijn van terinzageligging beslist omtrent vaststelling van het bestemmingsplan.
  • Voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in een aanwijzing, die betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven locatie, waarvan geen afwijking mogelijk is, kunnen zienswijzen daarop geen betrekking hebben.
  • De bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan geschiedt binnen twee weken na de vaststelling. Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan tevens in de Staatscourant en voorts geschiedt deze langs elektronische weg. Gelijktijdig verzenden zij de kennisgeving, bedoeld in de vorige volzin, langs elektronische weg aan de diensten en bestuursorganen bedoeld in het eerste lid, onder b, en stellen zij het besluit met de hierbij behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar. In afwijking van artikel 3:1, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zijn op een besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan de artikelen 3:403:423:433:44 en 3:45 en afdeling 3.7 van die wet van toepassing.
  • In afwijking van het derde lid wordt het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan zes weken na de vaststelling bekendgemaakt, indien door gedeputeerde staten, Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, anders dan op grond van zienswijzen van gedeputeerde staten, Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat. In zodanig geval zenden burgemeester en wethouders na de vaststelling onverwijld langs elektronische weg het raadsbesluit aan gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat.
  • Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt, behoudens voor zover het zesde lid van toepassing is.
  • Indien aan de in het vierde lid bedoelde voorwaarden is voldaan kunnen gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister, onverminderd andere aan hen toekomende bevoegdheden, binnen de in dat lid genoemde termijn met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan aan de gemeenteraad een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 4.4, eerste lid, onder a, geven, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Artikel 4.2, tweede tot en met vierde lid, onderscheidenlijk artikel 4.4, tweede tot en met vierde lid, zijn op deze aanwijzing niet van toepassing. De kennisgeving van het besluit tot aanwijzing geschiedt tevens langs elektronische weg. Gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister vermelden in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie onderscheidenlijk het Rijk beletten het betrokken provinciaal onderscheidenlijk nationaal belang met inzet van andere aan hen toekomende bevoegdheden te beschermen. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt alsdan met uitsluiting van dat onderdeel, samen met het aanwijzingsbesluit en op gelijke wijze door burgemeester en wethouders bekendgemaakt. De in het vierde lid genoemde termijn wordt hiertoe met een week verlengd. De termijn voor indiening van een beroepschrift tegen het aanwijzingsbesluit vangt aan met ingang van de dag na die waarop dit besluit ter inzage is gelegd. Zodra het aanwijzingsbesluit onherroepelijk is geworden vervalt het vaststellingsbesluit voor dat onderdeel. 
  • Van het aanwijzingsbesluit, bedoeld in het zesde lid, wordt mededeling gedaan aan diegenen die ten aanzien van het onderdeel van het bestemmingsplan dat bij dat aanwijzingsbesluit is betrokken een zienswijze naar voren hebben gebracht of een aanvraag tot vaststelling hebben ingediend.

Rechtspraak

Het in strijd handelen met een gemeentelijke inspraakverordening heeft geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het bestemmingsplan ex artikel 3.1 Wro (artikel 3.8 Wro)Raad van State 21 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1788
Het niet kennis geven van het voornemen om een bestemmingsplan voor te bereiden ex artikel 1.3.1 Bro heeft geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het bestemmingsplan ex artikel 3.1 Wro (artikel 3.8 Wro)Raad van State 30 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM9710
Bij de vernietiging van een bestemmingsplan inclusief de opdracht binnen een bepaalde termijn een nieuw bestemmingsplan vast te stellen hoeft niet opnieuw de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure ex afdeling 3.4 Awb te worden gevolgd, tenzij het nieuwe plan naar aard en omvang in een wezenlijk ander plan voorziet (artikel 3.8 Wro)Raad van State 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1791
Als niet alle bij het ontwerpbestemmingsplan behorende stukken ter inzage worden gelegd, kan het bestemmingsplan – afhankelijk van de mate van benadeling van partijen – op grond van artikel 3:11 Awb worden vernietigd (artikel 3.8 lid 1 Wro)Raad van State 19 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT8602
In een kennisgeving van een besluit waarop de Chw van toepassing is moet (ook) worden vermeld dat (a) alle beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen, (b) het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, en (c) de beroepsgronden na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld. Gebeurt dit niet, dan kunnen de versnellingen van de Chw toch niet worden benut (artikel 3.8 Wro)Raad van State 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1129
Een pro forma zienswijze tegen een ontwerpbestemmingsplan (een zienswijze zonder gronden) is toegestaan, tenzij de Crisis- en herstelwet van toepassing is (artikel 3.8 Wro)Raad van State 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3097
Het enkele overschrijden van de beslistermijn voor het nemen van een besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan ex artikel 3.8 lid 1 Wro betekent niet automatisch dat de gemeente in privaatrechtelijke zin onrechtmatig heeft gehandeld, hiervoor zijn bijkomende omstandigheden benodigd (zoals de mate van overschrijding van de beslistermijn, de oorzaak van de overschrijding, de belangen van de betrokken partijen) (artikel 3.8 Wro)Raad van State 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2057
Indien een bestemmingsplan gewijzigd wordt vastgesteld, dan kunnen degenen die geen zienswijze tegen het ontwerp bestemming hebben ingediend ook beroep instellen, voor zover deze door het gewijzigde plan in een nadeligere positie zijn komen te verkeren (artikel 3.8 Wro)Raad van State 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3707
Een bestemmingsplan mag niet zodanig gewijzigd worden vastgesteld dat naar aard en/of omvang sprake is van een wezenlijk ander plan (artikel 3.8 Wro)Raad van State 3 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4016
Gedeputeerde Staten kunnen op grond van artikel 3.8 lid 6 Wro een reactieve aanwijzing tegen het vastgestelde bestemmingsplan indienen voor zover provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk makenRaad van State 16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4732
Gedeputeerde Staten kunnen los van het (al dan niet) nemen van een reactieve aanwijzing ex artikel 3.8 lid 6 Wro, altijd zelfstandig beroep instellen tegen het bestemmingsplan, mits zij als belanghebbende kunnen worden aangemerktRaad van State 10 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX9712
Het college van burgemeester en wethouders kan geen last onder dwangsom ex artikel 5:31d Awb aan de gemeenteraad opleggen, waarin de raad wordt verplicht om binnen een bepaalde termijn een bestemmingsplan vast te stellen (artikel 3.8 Wro)Raad van State 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:305
Een bestemmingsplan kan niet gewijzigd door de gemeenteraad worden vastgesteld aan de hand van een amendement van de raad zonder dat dit amendement enige ruimtelijke onderbouwing bevat (artikel 3.8 Wro)Raad van State 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1807
De ingediende zienswijzen tegen een ontwerpbestemmingsplan kunnen bij de vaststelling van het plan samengevat worden weergegeven (artikel 3.8 Wro) Raad van State 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2214
Een onjuiste bekendmaking van een vastgesteld bestemmingsplan ex artikel 3.8 lid 3 Wro kan op zichzelf niet leiden tot een vernietiging van het planRaad van State 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0782
Een bekendmaking van een vastgesteld bestemmingsplan ex artikel 3.8 lid 3 Wro moet voldoende informatie bevatten over de omvang van het plangebied en de vindplaats van alle bij het plan behorende stukken Raad van State 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1599

Raad van State 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1359
Als op www.ruimtelijkeplannen.nl een andere versie van een bestemmingsplan ex artikel 3.1 Wro staat dan de (analoge) versie die door de gemeenteraad is vastgesteld, dan is sprake van een onaanvaardbare rechtsonzekerheid die in beginsel tot vernietiging van het bestemmingsplan moet leiden (artikel 3.8 Wro)Raad van State 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3067
Een particulier die voornemens is een stuk grond te kopen maar die geen contractueel afnameverplichting heeft, is geen belanghebbende bij een bestemmingsplan (voor zover dit plan op het perceel ziet waarop de voorgenomen koop betrekking heeft) (artikel 3.8 Wro)Raad van State 17 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO4210
Een persoon of bedrijf met een concurrentiebelang dat binnen hetzelfde martksegment en hetzelfde verzorgingsgebied plaatsvindt, is belanghebbende bij een bestemmingsplan ex artikel 3.1 Wro (artikel 3.8 Wro)Raad van State 27 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3399
Om als belanghebbende bij een bestemmingsplan ex artikel 3.1 Wro te kunnen worden aangemerkt, moet aannemelijk worden gemaakt dat een persoon of bedrijf gevolgen van enige betekenis als gevolg van het bestemmingsplan ondervindt. Deze gevolgen van enige betekenis zijn er niet indien de gevolgen er wel zijn, maar dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het plan ontbreekt. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de aspecten afstand, zicht, uitstraling, milieugevolgen (geur, licht, geluid, trilling, emissie, risico), al dan niet in onderling verband bezienRaad van State 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:685
Een beroepschrift tegen een vastgesteld bestemmingsplan dat een (identieke) herhaling is van de eerder ingediend zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan wordt in beginsel door de rechter ongegrond verklaard (artikel 3.8 Wro)Raad van State 21 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1793
In een beroepschrift tegen een vastgesteld bestemmingsplan ex artikel 3.1 Wro kunnen in beginsel gronden naar voren worden gebracht die niet als zodanig in de zienswijze tegen het daaraan voorafgaande ontwerpbestemmingsplan zijn aangevoerd (artikel 3.8 Wro)Raad van State 18 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2631
Het enkele overschrijden van de beslistermijn voor het vaststellen van een bestemmingsplan ex artikel 3.8 lid 1 Wro leidt niet automatisch tot een onrechtmatig handelen aan de zijde van de gemeente, hiervoor zijn bijkomende omstandigheden benodigd (zoals de mate van overschrijding van de termijn, de reden voor de overschrijding en de belangen van de betrokken partijen)Raad van State 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:476
Artikel 4:15 Awb (opschorting beslistermijn) is naar analogie van toepassing op de voorbereiding van een ingediende aanvraag om vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.8 Wro)Raad van State 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3189
Als op een bestemmingsplan de Crisis- en herstelwet van toepassing is maar dit niet in bekendmaking/rechtsmiddelenclausule van het bestemmingsplan is vermeld, dan kan aan een persoon niet worden tegengeworpen dat hij de beroepsgronden niet binnen de beroepstermijn heeft ingediend (artikel 3.8 Wro)Raad van State 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:72
Een vernietiging van een bestemmingsplan heeft in beginsel geen gevolgen voor op grond van dit (op dat moment in werking getreden) plan verleende omgevingsvergunningen voor bouwen (ex artikel 2.1 lid 1 onder a Wabo) of aanleggen (artikel 2.1 lid 1 onder b Wabo), voor zover de beslissing op bezwaar tegen de vergunning wordt genomen voorafgaand aan de vernietiging van het bestemmingsplan (artikel 3.8 Wro)Raad van State 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:247
Het niet correct vermelden van het IMRO-nummer in de bekendmaking van het vastgestelde bestemmingsplan (ex artikel 3.1 Wro) hoeft niet tot vernietiging van het plan te leiden (artikel 3.8 Wro)Raad van State 7 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3275
Het niet mededelen van het vastgestelde bestemmingsplan aan een indiener van een zienswijze tegen het daaraan voorafgaande ontwerpbestemmingsplan ex artikel 3.8 lid 3 Wro, kan leiden tot een verschoonbare termijoverschrijding voor degene die niet tijdig (binnen de beroepstermijn) beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan heeft ingediend (artikel 3.8 Wro)Raad van State 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1436
Degene die een zienswijze tegen een ontwerpbestemmingsplan heeft ingediend, hoeft niet nog apart te worden gehoord (artikel 3.8 Wro)Raad van State 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2410
Het niet tijdig vaststellen van een bestemmingsplan ex artikel 3.8 lid 1 onder e Wro is niet fataal, dit is een termijn van ordeRaad van State 27 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3399
Bij een bestemmingsplan op aanvraag is de beslistermijn overschreden indien het bevoegd gezag binnen 14 weken na ontvangst van de aanvraag geen definitief besluit heeft genomen en evenmin een ontwerpplan ter inzage heeft gelegd (artikel 3.8 Wro)Raad van State 8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2144
Een anterieure overeenkomst heeft niet met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te worden gelegd (artikel 3.8 Wro)Raad van State 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1883
Het bevoegd gezag is niet verplicht om een belanghebbende persoonlijk op de hoogte te brengen van het ter inzage leggen van een ontwerpbestemmingsplan, tenzij dit door het bevoegd gezag vooraf is toegezegd (artikel 3.8 Wro)Raad van State 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1197

Raad van State 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1777
Gedeputeerde Staten kunnen (ook) een proactieve aanwijzing ex artikel 4.2 Wro geven als zij geen reactieve aanwijzing ex artikel 3.8 id 6 Wro gegeven of geen beroep tegen het desbetreffende bestemmingsplan hebben ingesteldRaad van State 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1652
Het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule in de bekendmaking van een bestemmingsplan ex artikel 3.8 lid 3 Wro leidt in beginsel tot een verschoonbare termijnoverschrijding, tenzij de belanghebbende voorafgaand aan de afloop van de termijn werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlenerRaad van State 21 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT2131
Bij een onjuiste rechtsmiddelenclausule in de bekendmaking van een bestemmingsplan ex artikel 3.8 lid 3 Wro is in beginsel sprake van een verschoonbare termijnoverschrijdingRaad van State 15 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1715
Als bepaalde stukken niet bij een ontwerpbestemmingsplan ter inzage zijn gelegd en een belanghebbende beroept zich hier tijdens het beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan op, dan moet aan de hand van het relativiteitsvereiste worden beoordeeld of de belanghebbende hier een rechtsgeldig beroep op kan doen (artikel 3.8 Wro)Raad van State 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2838
De gemeenteraad kan ervoor kiezen om het bestemmingsplan niet vast te stellen (artikel 3.8 Wro)Raad van State 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1176
De normen van de Habitatrichtlijn beschermen niet de belangen van particulierenRaad van State 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1297
De toepassing van het relativiteitsvereiste moet worden gecorrigeerd bij een succesvol beroep op het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginselRaad van State 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:732
Bij een aanvraag om een bestemmingsplan kan – na het indienen van een ingebrekestelling niet tijdig nemen van een besluit omtrent vaststelling van het plan – beroep worden ingesteld bij de rechter. Deze kan de gemeenteraad bij uitspraak opdragen om binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit omtrent vaststelling nemen, bij gebreke waarvan een dwangsom verschuldigd zal zijn (artikel 3.8 Wro)Raad van State 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:548
Het toezenden van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan ex artikel 3.8 lid 3 Wro mag achterwege blijven als meer dan 250 personen bij het bestemmingsplan betrokken zijnRaad van State 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1014
Toezeggingen door het college van burgemeester en wethouders tot planmedewerking of anterieure overeenkomsten doen niet af aan de bevoegdheid van de gemeenteraad om het bestemmingsplan al dan niet vast te stellen, maar de raad moet deze toezeggingen/overeenkomsten wel in zijn besluit meenemenRaad van State 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:109
Een bestemmingsplan kan hangende het beroep op ondergeschikte punten worden gewijzigd (artikel 3.8 Wro)Raad van State 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:888
Aanvullende zienswijzen na afloop van de zienswijze-termijn tegen een ontwerpbestemmingsplan zijn mogelijk voor zover deze zien op dezelfde plandelen die in de eerste zienswijze zijn ‘aangevallen’ (artikel 3.8 Wro)Raad van State 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:115
De gemeenteraad kan na vaststelling van het bestemmingsplan alsnog – ambtshalve of naar aanleiding van een zienswijze tegen het ontwerpplan – wijzigingen in het plan doorvoeren zonder dat afdeling 3.4 Awb (o.a. ter inzage leggen ontwerpbestemmingsplan) opnieuw hoeft te worden toegepast, mits deze wijzigingen naar aard en omvang niet zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan wordt vastgesteld (artikel 3.8 Wro)Raad van State 5 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2855

error: Het kopiëren van deze pagina is helaas niet toegestaan.