Artikel 2.12 Wabo

  • Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
    • a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
      • 1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
      • 2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
      • 3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
    • b. indien de activiteit in strijd is met het exploitatieplan: met toepassing van de daarin opgenomen regels inzake afwijking;
    • c. indien de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening: voor zover de betrokken regels afwijking daarvan toestaan;
    • d. indien de activiteit in strijd is met een voorbereidingsbesluit: met toepassing van de in het voorbereidingsbesluit opgenomen regels inzake afwijking.
  • Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°.

Rechtspraak

Algemeen
Bij de afweging van de bij de besluitvorming betrokken belangen ex artikel 2.12 Wabo (goede ruimtelijke ordening) mag meewegen dat negatieve gevolgen van een bouwplan ook kunnen worden veroorzaakt door de fictieve realisering van een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan (bijvoorbeeld qua bouwhoogte)Raad van State 27 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1285
Het College van B&W is niet bevoegd artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wabo toe te passen als het beoogde gebruik binnen de reikwijdte van artikel 2.12 lid 1 onder a sub 2 Wabo (kruimelvergunning) valt, maar daarvoor, gelet op het geldende beleid, geen omgevingsvergunning kan worden verleendRaad van State 4 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1029
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning kan toepassing worden gegeven aan zowel een binnenplanse als buitenplanse afwijkingsmogelijkheid voor een niet te splitsen bouwplan (artikel 2.12 Wabo)Raad van State 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1170
Een aanvraag omgevingsvergunning kan niet worden geweigerd wegens het ontbreken van draagvlak als geen sprake is van een harde beleidsmatige randvoorwaarde waarin is opgenomen dat de vergunning niet zou mogen worden verleend als draagvlak ontbreekt (artikel 2.12 Wabo)Raad van State 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2923
Artikel 2.12 lid 1 onder a sub 1 Wabo (binnenplanse afwijking)
De binnenplanse afwijkingsmogelijkheid ex artikel 2.12 lid 1 onder a sub 1 Wabo moet voldoende duidelijk zijn omgeschreven (lees: voldoende objectief zijn begrensd)Raad van State 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:339
Artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wabo (goede ruimtelijke onderbouwing)
Een omgevingsvergunning ex artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wabo kan uitsluitend worden verleend indien een zogenaamde verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is afgegeven, tenzij dit een geval betreft waarvoor de raad heeft bepaald dat deze verklaring niet benodigd isRaad van State 3 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8983
error: Het kopiëren van deze pagina is helaas niet toegestaan.